Honger heb ik gehad. - vereniging 1e poolse pantser divisie nederland

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Honger heb ik gehad.


“Honger heb ik gehad, verschrikkelijk, ik woog geen 40 kilo meer”
Dré Moors

Inleiding

Normaal gesproken komt tijdens het interview met mensen, hun hele levenswandel aan de orde. Soms minder leuke, maar vooral toch leuke zaken die mensen hebben meegemaakt, passeren daarbij de revue.
Deze keer is hiervan geen sprake. Aan het woord komt een man die zijn verhaal kwijt wil over zijn ervaringen in de oorlogsjaren. Specifiek de periode oktober 1944 tot mei 1945. Het gaat om Jan Kusters uit Weelde, vroeger woonachtig in Baarle-Nassau. Via een familielid was mij ter ore gekomen dat Jan er sterk behoefte aan had om
zijn verhaal op papier te krijgen. Hij denkt nog vrijwel elke dag aan die oorlogs-periode terug. Ofschoon hij er niet meer van wakker ligt, droomt hij er nog regelmatig van.
Graag laten wij onze oud-inwoner Jan Kusters aan het woord. Omdat Jan zijn eigen verhaal zelf ook graag op papier heeft, heb ik er voor de leesbaarheid voor gekozen om het op zich fraaie dialect van Jan te ‘vertalen’ naar het Nederlands.

Wie is Jan Kusters
Jan Kusters (82), is woonachtig in Weelde. Op 18 november 1921 werd hij geboren op de Kievit in Baarle-Nassau. Als kleuter woonde Jan daarna in de Molenstraat in Baarle. In 1929 verhuisde het gezin Kusters (vader, moeder en de vijf kinderen)  naarTilburg(Reeshofdijk).
Daar werkte vader Kusters op zijn boerderij. In juni 1940, Jan is dan 18 jaar oud, vertrekt hij naar Baarle-Nassau. Hij gaat er werken als boerenknecht bij zijn tante op de Eikelenbosch.
Hulp daar was nodig omdat de oom van Jan was overleden.
In 1947 keert Jan weer terug naar Tilburg. De kinderen van zijn tante waren vanaf toen groot genoeg om hun moeder op de boerderij te helpen. Vanaf 1947 tot 1962 werkt Jan op een houtzagerij in Tilburg. Daarna zes jaar bij een betonfabriek. Vanaf 1968 tot 1979 verbouwt
Jan aan huis tuinbouwproducten. Vanaf 1979 tot zijn pensioen werkt Jan bij kippenslachterij Jan van Loon op Schaluinen.
Rond 1947 leert hij zijn huidige vrouw, Maria van Rooy (78) kennen. Maria is geboren op 14 februari 1926 in een roethuisje op Boschoven. Later woont zij op de Reuth en op Schaluinen. Na een verkeringstijd van ongeveer twee jaar trouwen Jan en Maria op 25 juni 1949. Het eerste jaar wonen zij in bij de vader van Jan aan de Reeshofdijk in Tilburg. In oktober 1950 verhuizen ze naar Weelde, Veldstraat 13. Hier wonen zij nog steeds.
Uit hun huwelijk zijn vijf kinderen geboren, drie jongens en twee meisjes. Jan en Maria zijn erg blij met hun negen kleinkinderen en vier achterkleinkinderen.

De Poolse bevrijders helpen
“Mijn tante op de Eikelenbosch was weduwe vanaf 1937. Met vijf kleine kinderen had zij dringend behoefte aan hulp in haar landbouwbedrijf. Daarom vond mijn vader het goed dat ik haar in juni 1940 ging helpen. Ik was toen 18 jaar.
Op 3 oktober 1944 om 2 uur ’s middags werd Baarle bevrijd door de Polen. Vlak voor de bevrijding zaten wij nog met drie huishoudens, in totaal 22 personen, op de Eikelenbosch opgesloten in een keldertje van Karel Jansen vanwege de bombardementen. Op een gegeven moment gingen de varkens en de stier toch te keer. Alles was in brand geschoten. “Er uit”, zei een knecht van Karel Jansen. Ik zeg, nog niet. De Duitsers schieten nog mee geweld.
Niet normaal. Na ongeveer vijf minuten hoorden we een ander soort gebrom. Dat waren vijf Poolse tanks. Toen ben ik het keldertje uitgegaan en ben gaan kijken bij de boerderij van Karel Jansen. De schuur van Vermeer was helemaal afgebrand. Er was niets meer over, alleen maar steenpuin. Een stuk of 15 Poolse soldaten waren daar.
Ze stonden bij Duitse krijgsgevangenen in een wei die bij de weg naar Castelré in de grond hadden gezeten. De Duitse soldaten moesten alles afgeven aan de Polen. Ook tabak en zo. En de Polen gaven me die en zeiden: dat is voor jou! De tabak was toen best veel geld waard.

Ik wilde persé de bevrijders helpen. Daarom zijn Geert en Jan Kerremans en ik de dag daarna naar de marechaussee op de Singel in Baol gegaan. Daar werd ons gevraagd of wij het niemandsland tussen de Fransebaanen Ulicoten wilden bewaken. Dat hebben we een dag of acht gedaan. We mochten daar niemand
doorlaten. Ook de boeren niet die koeien wilden gaan melken. Maar na een dag of acht waren we dat beu. Namens de Polen vroeg een tolk ons of we iets anders wilden doen. Afgesproken werd dat we er voor moesten zorgen dat een spion die werkte voor de Polen, terecht zou komen in de Duitse linie, richting Meerle. Het was een Nederlander die bij Philips had gewerkt. Maar volgens marechaussee Selten uit Didam, die wij jaren ná de oorlog nog ontmoet hebben, zou het best ook een dubbelspion geweest kunnen zijn. De landkaarten kwamen bij de marechaussee op

tafel om te kijken waar het front zich precies bevond. Vervolgens bracht een Poolse soldaat ons naar het café van Alfons van Tilburg aan de weg naar Castelré. Daar was ook een Poolse post. Daarna werden we rond tien uur ’s avonds door twee Poolse soldaten naar de Fransebaan gebracht. Daar afscheid van hen genomen. Vanaf de Fransebaan zijn we door het landbouwgebied, door bossen en over de hei links van de Ulicotenseweg, richting Ulicoten gegaan. Op de harde weg hebben we op knieën gekropen. Omdat we ijzers rond onze schoenen hadden zouden ze ons horen als we te voet zouden gaan. Aan de Strumpt waren het allemaal zandwegen. We zijn daar ergens overgestoken richting Belgische grens op ongeveer 300 meter afstand van de molen van Ulicoten. Het was ongeveer één uur ’s nachts, we wisten niet waar we waren. Plotseling zag ik daar een boerderij staan. We spraken af dat ik er eens poolshoogte zou gaan nemen. Jos Kerremans en die spion moesten daar in het weiland op mijn terugkomst wachten. Het was nogal een heldere nacht. Ik ben een eerste maal rond die boerderij gegaan maar hoorde of zag niets. Toen aan de deur gerammeld. Ben maar blijven rammelen. Plotseling hoor ik iemand op zijn

sokken aankomen. Ik dacht nog, dat zal die boer wel zijn. De deur gaat open en wie staan daar: twee Duitse soldaten. Op dat moment komt Kerremans bij mij en worden we samen aangehouden. We worden gefouilleerd of wij niets verdachts bij ons hebben. Wat bleek, er lagen 17 Duitsers ingekwartierd. Kerremans en ik hadden akkoord gemaakt dat we zouden zeggen dat de spion geen kameraad van ons was maar op de vlucht was voor de geallieerden. En we zeiden dat Kerremans en ik onze koeien aan het zoeken waren maar dat geloofden ze niet echt. Ook vertelden we dat we op 500 meter afstand woonden van café Hereijgers aan Baarle-brug.
Daags daarna werden we door een paar Duitsers en een Rus te voet daar naar toe gebracht. Vlak bij Baarle-brug zei een Duitse officier ons toen echter: “Sie dürfen hier nicht passieren. Zurück!” We moesten terug naar Meerle en van daaruit naar de feldgendarmerie in Minderhout. Daar bleken ook twee Poolse soldaten gevangen te zitten die bij ons op de Eikelenbosch gestationeerd waren. We zijn er drie dagen gebleven.

Op transport naar nazi-Duitsland

Na die drie dagen zijn we samen met ongeveer 15 andere mannen, waaronder uit Rijkevorsel, met vrachtwagens afgevoerd naar een kazerne in Breda. Iedereen werd in een aparte cel gestopt. Op de muur van de cel stond de datum gekalkt waarop we opgepakt waren en de datum, een paar dagen later, waarop we gefusilleerd zouden
worden.
Ik dacht nog, dat ziet er niet goed uit. De vierde dag moesten we ’s avonds naar buiten. En toen dacht ik, dit wordt mijn laatste avond. Maar we werden door de SS met een bus naar het station gebracht. Daar moesten we de trein in. Alléén was ik er niet ingegaan. Kerremans stond echter te ver van mij vandaan. Ik kon niets tegen hem zeggen.

Maar ik wilde hem niet in de steek laten. Hij was tenslotte ook vier jaar jonger dan ik. Negen dagen hebben we in de trein gezeten tot we in Oldenzaal aankwamen. De goederentrein zat vol met Duitse soldaten. Wij zaten in de laatste wagon. De grote baas op de trein noemden wij ‘de stier’. We kregen per dag drie sneetjes brood. Als je moest plassen ging de deur van de wagon een stukje open. Poepen moest je doen op wc’s op de treinstations die we passeerden. De wc’s liepen er gewoon over. Bah. De trein deed er negen dagen over om in Oldenzaal te geraken omdat de Engelsen de trein probeerden te bombarderen. Op de Veluwe hebben we stil gestaan naast een trein met V1‘s. Maar ik was niet bang. Ben ik eigenlijk nooit geweest.
De tiende dag zijn we in één ruk doorgereden naar Bremen. In de avond, om half negen, kwamen we in het strafkamp Bremen-farge aan. Daar werd onze kop door twee Russen kaalgeschoren. Vanaf toen kregen wij ook een nummerplaat op onze kleding. Ik had nummer 983. Dat nummer mocht je niet verliezen. Geen nummer, geen eten. In het werkkamp zaten ongeveer 600 mannen. Het waren een soort kippenkooien waar we in zaten. In de barakken stonden stapelbedden, drie hoog.

Werken, honger en luizen

De volgende dag werden we ingedeeld bij ongeveer 200 personen en moesten wij buiten het kamp gaan werken.
We moesten sleuven graven tot op vier meter diepte voor rioleringsbuizen die daar in moesten. Alles met de schop en de hand. Op die plaats werden dan barakken gebouwd voor Duitse vrouwen en kinderen waarvan het huis kapot
was gebombardeerd of gebrand.
Om vier uur ’s morgens moesten we het bed uit. Eerst op appèl. Wee als er een nummer ontbrak. Dan was er paniek bij de Duitse bewakers. We kregen daarna een kommetje ersatzkoffie en twee sneetjes brood. Drie sneetjes kregen we mee naar het werk. Na het eten marcheerden we naar de plaats van de werken. Dat was iedere dag dik twee uur heen en ook weer twee uur terug. Dat heeft zo een half jaar geduurd.
We hebben ontzettende honger geleden. Op een gegeven moment woog ik geen 40 kilo meer. Onderweg vraten we alles op. Als we bijvoorbeeld boerenkoolstengels zagen staan in het veld, dan bleven we die eten. Als we ’s avonds terug in het kamp waren kregen we boerenknollensoep. En schijten! Daarom sliep ik het liefst bovenop.
Want er waren er die in bed zeikten en scheten. Op een dag kwam een Rus in het kamp en die vroeg of er iemand mee wilde helpen op de boerderij van een Duitse
boer. Ene van Turnhout, Albert Coljee, en ik melden ons aan. Die van Turnhout kende niks van het boerenbedrijf.

Die dag waren we de koning te rijk. Om 12 uur kregen we namelijk stamppot met twee stukjes spek. Dat was lekker eten! Om vier uur ging de dochter van de boer de zeug met biggen voeren. Ze had een emmer bij zich met daarin kleine aardappelen met gerstemeel er door. Dat was voor de zeug. Maar ik schepte mee voor mezelf zo veel als ik maar naar binnen kon krijgen. Wat was ook ik blij met dat varkensvoer!
Het werken bij die boer duurde helaas maar één dag. Toen weer terug sleuven graven voor de rioolbuizen. Weer hard werken. Ik kreeg eens een klap van een Antwerpenaar. Een overloper. Hij maakte met zijn zakmes een stok van berkenhout en sloeg mij keihard op mijn schouderblad. Ik heb er weken enorme pijn aan gehad. Maar het werk moest doorgaan

Weer naar huis

We zijn bevrijd door de Engelsen. Eerst werden we door de Duitsers nog tegen de muur gezet. Er was op hun door ons geschoten, zeiden ze. Alles werd doorzocht op wapens maar ze konden niets vinden.
Van de achttien man die met trein uit Breda vertrokken waren, waren er zes overleden toen de oorlog ten einde was. ’s Morgens om half zes zijn we met z’n vijven te voet vertrokken. Al gauw werden we tegengehouden door de bezetters, want wij mochten zo vroeg niet op straat komen. Maar na wat uitleg mochten we toch verder gaan. Wij zijn de rivier de Wezer gevolgd en in de verte zagen we de mogelijkheid om de rivier over te steken richting het westen. Ik wist dat we de rivier over moesten om in het westen te geraken. Mijn aardrijkskunde was namelijk goed!
Maar de brug was voor 90% vernield. We zouden wij het er op wagen om over de rivier te geraken. Twee van de vijf bleven echter achter, die durfden niet. Die waren al wat ouder, zo tussen de 40 en de 50. Gelukkig is het ons gelukt.
Die dag liepen we 65 km naar Osnabrück. Toen het donker werd zijn we bij een boer gaan vragen of we in de hooiberg mochten slapen. In de boerderij woonde een moeder met haar vijf kinderen en haar schoonvader. Haar man was soldaat aan het Russische front. Moeder had al een jaar niets meer van hem gehoord.
Moeder was echter bang dat we de zaak in de brand zouden steken, maar dat hebben we natuurlijk niet gedaan.

We hebben nog een bord soep en twee sneden brood gekregen en daar waren we heel blij mee. De volgende dag hebben we afscheid genomen, de moeder heel erg bedankt en zijn we verder richting Nederland gelopen. Over heiden en door bossen liepen we. Niemand zagen we. Op een kruispunt vroeg een Amerikaanse soldaat ons waar we heen wilden. Hij wees ons toen de weg naar Nederland. Op een morgen rond zeven uur kwamen we aan bij de grens in Oldenzaal. We werden er direct ondervraagd en we werden onder de DDT-poeder gespoten tegen het ongedierte. In Oldenzaal werden we ondervraagd over het hoe en waarom we in Duitsland hadden gezeten. We zijn daar nog zo’n tien tot twaalf dagen gebleven. Toen zijn we op transport gezet en met legerwagens naar Nijmegen vervoerd. Voor het eerst konden we zoveel eten als we op konden: dikke bonensoep. Daarna werden we met een andere colonne naar Den Bosch gebracht. Van daaruit moesten we op eigen gelegenheid naar Tilburg. Er reed toen nog maar één trein per dag naar Tilburg. Geld voor de trein had ik niet. Na een half uurtje kwam er een meisje van een jaar of twintig en vroeg mij of ik van Duitsland kwam. Ik kreeg van haar een bruin brood van een kilo en dat was gauw opgesmuld. Het meisje gaf mij ook nog een gulden voor de trein en daar was ik heel blij mee. Ik heb altijd veel spijt gehad dat ik haar naam en adres niet gevraagd heb. Had ik dat wel gedaan dan had ik haar nog kunnen bedanken. In de trein van Den Bosch naar Tilburg sliep ik direct. In Tilburg werd ik wakker. Ontzettend veel mensen stonden daar te wachten op terugkerende gevangenen. Onze pa is na de bevrijding elke avond op het station in Tilburg gaan kijken of ik er niet bij was. De avond dat ik aan kwam, stond hij er toevallig niet.
Een sigarenmaker uit de Stationsstraat in Tilburg heeft toen mijn broer gewaarschuwd dat hij een fiets moest brengen. Hij kende mijn ouders. Het weerzien thuis was in één woord geweldig. Eerst heel goed gegeten. Heerlijke ham van een pas geslacht varken. De buren, iedereen kwam om met mij te praten. Iedereen schrok hoe slecht ik er uit zag.

De dag daarna ben ik naar mijn tante op de Eikelenbosch in Baol gegaan. Ook daar werd ik hartelijk ontvangen, speciaal door Pollie, de lieve hond. Al vóór ik weg ging was hij mijn beste maat. Hij reed altijd met mij en het paard mee. Ik kom op de werft en Pollie begint me toch te blaffen. Ik roep, ha Pollie! Hij springt als een gek op mijn
schouders. Dat is mooi toch, niet dan?
Nog kwaad kan ik echter worden als ik terug denk aan hetgeen ik een paar maanden later meemaakte. Omdat ik weinig of geen kleren meer had moest ik mij wenden tot het Rode Kruis in Baarle-Nassau. Daar kreeg ik te horen dat ik geen recht had op kleren omdat ik niet van Baarle-Nassau kwam. Ik heb er altijd moeite mee gehad om dat te kunnen vergeten.”
Slot

Tot zover het relaas van Jan. “Het is de waarheid. Ik heb niets gelogen. Nu ik dit allemaal weer vertel, word ik daar de komende nacht weer wakker van”, aldus Jan.
Zijn vrouw Maria: “Ik word dat gewaar. Hij is dan heel onrustig.”
Jan, heel erg bedankt voor het vertellen van jouw indrukwekkende verhaal. Complimenten voor je moed en doorzettingsvermogen.
Namens Heemkundekring Amalia van Solms wensen wij jouen je vrouw nog heel veel gezonde, fijne jaren toe. Hetga je goed!

Kwartierstaat Jan
 
Zoeken
Copyright 2016. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu