Ludwik Kurpisz - vereniging 1e poolse pantser divisie nederland

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Ludwik Kurpisz

Het wonder van Ludwik Kurpisz

Zaterdag 23 oktober 2004 - De nacht voor de bevrijding van Breda, op zondag 29 oktober 1944, sliep hij met zijn makkers in een woning aan de Bavelselaan. De bewoners sliepen in de kelder, de Polen in het huis. „Ik geloof dat het nummer 72 was“, zegt Ludwik Kurpisz (84) bijna zestig jaar later aan zijn huiskamertafel in Geeren-Zuid, waar hij zijn gasten met koffie, gebak en chocolaatjes ontvangt. Op tafel liggen niet alleen foto’s van zijn diensttijd, van hem, zijn vrouw en dochter en van een naoorlogse ontmoeting met generaal Stanislaw Maczek, maar ook zijn militair rijbewijs, een lovend getuigschrift en het volledige overzicht van zijn staat van dienst in de Poolse krijgsmacht. „Ik geloof in wonderen. Dat ik dit allemaal nog kan vertellen“, zegt hij, waarbij hij ook denkt aan de acht operaties die hij sinds de jaren zeventig heeft ondergaan. Hij is weduwnaar. Zijn vrouw Rosa is in 1997 overleden. Aan tafel zegt dochter Lisette (56): „Voor mij is hij altijd een heel strenge vader geweest. Alle Polen waren volgens mij strenge vaders. Ik ben in Polen geweest en daar wordt anders over opvoeding gedacht dan hier. Dat hij oud-militair is, heeft er minder mee te maken.“

Hij zag in 1920 het levenslicht in Slobodka Muszkatowiecka, dat de Sovjet-Unie na de oorlog annexeerde en tegenwoordig bij de zelfstandige Oekraïne hoort. „Ik had drie broers en een zus“, zegt hij. „Mijn vader, die jong is overleden, werkte bij de spoorwegen. Ik wilde bankwerker worden, maar mijn moeder vond dat vuil werk. Ze vond het niet goed. Daarom werd ik filiaalhouder in een winkel. In Polen moest je op je 21e in militaire dienst. Ik wilde graag voor mezelf beginnen en meldde me eerder als vrijwilliger aan. Dan kan ik ook eerder een winkel beginnen, dacht ik.“

Het liep anders.
Hij kwam op de eerste lentedag van 1939 onder de wapenen en zwaaide op 1 oktober 1947 af. In Breda werd hij machinebankwerker bij Hispano Suiza (later Ambac) aan de Terheijdenseweg, dat indertijd nog wapens maakte. „Ik hoorde bij de grensbewaking aan de Tsjechische grens toen de oorlog uitbrak. Polen werd door de Duitsers én de Russen aangevallen. Daar konden we niet tegenop. Met ons bataljon zijn we uitgeweken naar Hongarije. We moesten daar onze wapens inleveren en werden geïnterneerd.“ Van de tijd in Hongarije herinnert hij zich, ‘dat we een beetje gymden en ’s zondags gingen we naar de kerk natuurlijk’. Intussen had de Poolse regering in ballingschap zich onder leiding van generaal Sikorski in Parijs gevestigd. De regering zorgde dat de militairen in Hongarije aan valse papieren kwamen. Na de zondagse mis gingen Kurpisz en enkele makkers in hun burgerpak nog ‘even wandelen’. Ze meldden zich bij de Poolse consul in Boedapest, werden van papieren voorzien, slaagden erin Joegoslavië te bereiken en namen in Split de boot naar Frankrijk. Hij werd daar in de omgeving van St.-Nazaire, Bretagne, opgeleid tot onderofficier. „Op een nacht was het alarm. De Duitsers zaten al in La Rochelle. Muildieren, half paard, half ezel, kregen we van de Fransen. We zijn op weg gegaan naar Bordeaux. Uiteindelijk konden we op twaalf kilometer van de Spaanse grens met een schip naar Engeland.“ Vroeg in de zomer van 1940 kwam hij daar aan. De Poolse regering in ballingschap zetelde inmiddels in Londen. Die schafte met eigen geld, vaak afkomstig van Poolse emigranten van over heel de wereld, gevechtsvliegtuigen aan en richtte de Eerste Poolse Pantserdivisie op. Onder bevel van generaal Stanislaw Maczek werd de divisie in 1942 in Schotland geformeerd. Voor de bevrijding van Polen uiteraard. „Maar Polen werd verkocht“, zegt Kurpisz.

Hij werd chauffeur bij het 1e anti-tankregiment van de pantserdivisie, de artillerie. Op 1 augustus 1944, bijna twee maanden na D-day, kwam de divisie in Normandië aan. Om de tijd voor de slag te doden, speelde hij kaart met andere chauffeurs. Hij won honderd pond met poker, duizend gulden in die dagen, zette het geld op de bank en had zodoende enkele jaren later geen duizend maar tweeduizend gulden demobilisatiegeld. De vuurdoop voor de pantserdivisie was verschrikkelijk. Meteen al bij de eerste slag, bij Caen en Falaise, sneuvelden ruim vierhonderd Polen. „We waren omringd door lijken“, zegt Kurpisz. Maar toen de Duitse vijand in Normandië eenmaal was verslagen, ging het hard vooruit. „Vijftig, zestig kilometer per dag. Ieper, Gent, St.-Niklaas?“ Op 16 september zetten de manschappen van Maczek voor het eerst voet op Nederlandse bodem. Ze bevrijdden Axel, Hulst en Terneuzen. „In Clinge sliepen de Duitsers boven en wij beneden. Die hadden zich aan ons overgegeven, maar ja, we moesten ze ergens laten.“ Vanuit Zeeuws-Vlaanderen werd de pantserdivisie naar Merksplas gedirigeerd.

Tegen het eind van de maand gingen de Polen weer tot de aanval over. Ditmaal verloren ze in acht dagen tijd bijna vierhonderd man. Baarle-Nassau bevrijdden ze op 4 oktober. „Daar hadden we voor het eerst weer vlees te eten. In ruil voor sigaretten kregen we een kalf van een boer. In Alphen lag ik in een stelling bij het bos. Bij een boerderij daar zijn drie of vier man van ons gesneuveld.“ „We zijn daar drie weken gebleven“, zegt hij. „Op een avond kregen we te horen: ‘We gaan naar een grote plaats’. We kwamen over de Bavelselaan, maar in ’t Ginneken konden we niet verder. We verloren er nog een carrier.“ Hij wijst op een foto die voor hem op tafel ligt. Hij en andere Poolse bevrijders poseren op de hoek van de Schorsmolenstraat, Haagdijk en Nieuwe Haagdijk. De Bredanaars vroegen de Polen om sigaretten, chocola en cornedbeef.
Hij leerde in die dagen Rosa de Ceuster kennen, met wie hij drie jaar later zou trouwen. „Ik heb altijd tegen haar gezegd: ik trouw niet zolang ik een uniform draag. Ik kon nog gewond raken of sneuvelen.“ Na de bevrijding van Breda trok de divisie van Maczek verder naar Zevenbergschen Hoek en Moerdijk. „Met Kerstmis 1944 liep ik patrouille aan de Maas bij Rosmalen. Dat patrouillewerk viel nog vies tegen, want dat waren we niet gewend. Met Nieuwjaar gingen aan beide kanten van de rivier alle lichten aan. De Duitsers en geallieerden gaven elkaar zo een nieuwjaarsgroet. Maar een half uur later kwam de artillerie in actie en was het weer oorlog.“

Zodra hij verlof had, ging hij naar Rosa, die bij haar zus en schoonbroer aan de Prins Hendrikstraat woonde. Die winter raakte hij overspannen. „De dokters in het Ignatius konden me niet helpen en stuurden me naar de nonnen in Tilburg. Wat een knappe grieten waren dat“, herinnert hij zich. In het voorjaar was hij weer van de partij toen de pantserdivisie via onder meer Emmen en Ter Apel naar Duitsland oprukte. Nu achter het stuur van een vrachtwagen om de troepen te bevoorraden. Na de oorlog vestigde zich in Warschau een communistisch regime, dat de manschappen van Maczek als verraders behandelde. Hij was het liefst naar Canada geëmigreerd, maar Rosa wilde niet weg uit Breda. „Ik ging bij de Saval werken en we kregen een zolderkamer bij schoonmoeder aan de Oede van Hoornestraat“, zegt hij.

„Ik ben er een van een tweeling, maar het jongetje overleed al na een dag“, zegt zijn dochter. „Natuurlijk merkte ik dat ik de dochter van een Pool was. Ik ging op zaterdag naar het Poolse schooltje. Ik spreek nog steeds een beetje Pools. We dansten er ook in Poolse klederdracht. Af en toe gaven we een optreden. Dat vond ik wel leuk. En niemand kon mijn achternaam goed uitspreken. Als op school de namen werden opgelezen, zat ik bij de C al te bibberen. Kurpisz, dan zat heel de klas te lachen.“

Hij nam na twee jaar ontslag bij Saval en werkte nog enige tijd bij de HKI, de ‘Kunstzij’, voordat hij bij Hispano Suiza aan de slag ging. Op voorspraak van dat bedrijf verruilde het gezin de flat aan de Van Rijckevorselstraat voor het toen pas opgeleverde huis in Geeren-Zuid. „Met één kind kwamen we heel lang niet in aanmerking voor een huis“, zegt hij. „We hebben niks voor niks gekregen.“ Vanwege zijn gezondheid sukkelde hij rond zijn zestigste uit het arbeidsproces.

In 1960 is hij voor het eerst weer in Polen geweest. Zijn moeder, broers en zus leefden toen nog. „De eerste keer zijn we met de trein gegaan. In Poznan moesten we overstappen. Op het perron stond een Rus. ‘Kijk, een Rus’, zei ik tegen haar. Stomverbaasd zei ze: ‘Pap, dat zijn dezelfde mensen als wij’.“

 
Zoeken
Copyright 2016. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu